×
×

Lager ruw eiwit, de koe kan het aan!

Het verlagen van het ruw eiwit in het rantsoen is een belangrijke maatregel om de ammoniakuitstoot te verminderen. Onderzoeker Harmen van Laar van Wageningen University & Research en Boerenveearts Gerrit Hegen laten zien in een webinar van Netwerk Praktijkbedrijven voor voeradviseurs dat de koe het aankan met goede voeding en de melkproductie ondersteund kan worden bij een rantsoen met 150 gram ruw eiwit.

Figuur 1: relatie tussen ruw eiwit-totaal in g/kg DS en ammoniakemissie in kton (bron CBS & CLO data 1995-2018)

Wat er niet in gaat, komt er ook niet uit

In Netwerk Praktijkbedrijven is het streven 30% reductie van ammoniak- en methaanemissie. De koe en het rantsoen zijn daar een belangrijke factor in.
Van de stikstof in het voer gebruikt de gemiddelde Nederlandse koe rond de 25% voor melk en groei. De overige 75% komt terecht in mest en urine. Uit jarenlang onderzoek van Koeien & Kansen blijkt dat de stikstofefficiëntie toeneemt bij minder eiwit in het voer. Ook uit data van CBS & CLO blijkt dat er een relatie ligt tussen ruw eiwit en ammoniakuitstoot (zie figuur 1).

Waarom 150 g ruw eiwit

Om 30% reductie te behalen, moeten alle zeilen worden bijgezet. Als vuistregel voor de relatie tussen ruw eiwit en ammoniakreductie kun je hanteren: 1 g ruw eiwit per kg droge stof minder is 1% minder ammoniak uitstoot. De 40 Netwerkbedrijven hadden volgens de KringloopWijzer-cijfers in 2020 gemiddeld 165 g ruw eiwit in het rantsoen.

Het doel in 2024 is 150 g ruw eiwit. Dat is dus 15 gram ruw eiwit minder en dus ook 15% minder ammoniakuitstoot. Daarmee is de helft van het doel gehaald.


Melkproductie op peil

Voor de optimalisatie van het rantsoen moeten we niet denken in ruw eiwit, maar in OEB (onbestendig Eiwit Balans) en DVE (Darm Verteerbaar Eiwit). Als je flink daalt in DVE ging men er altijd van uit dat de melkproductie ook stevig daalt.

Nieuw onderzoek heeft aangetoond dat de DVE-behoefte van de koe voor een bepaalde melkproductie anders is dan hoe een koe werkelijk reageert op een daling in DVE. De koe regelt veel zelf en er zit dus speelruimte in verlagen met DVE voordat het grote effecten heeft op de melkproductie. Daarnaast zijn energie en eiwit uitwisselbaar. Als je daalt in DVE kun je met VEM sturen om de melkproductie op peil te houden. Hoe dat werkt laat onderzoeker Harmen van Laar in de animatie hiernaast zien.

Diergezondheid

Vaak worden een dalende melkproductie, verlaagde weerstand van de koe en groei- en ontwikkelingsstoornissen bij embryo’s en dieren in de groei als bedreigingen gezien bij het verlagen van het ruw eiwit. Gerrit Hegen, De Boerenveearts, stelt dat de koe 150 g ruw eiwit aankan, mits aan de volgende randvoorwaarden zijn voldaan:

  • Uitstekende voorbereiding op lactatierantsoen in droogstand en transitie;
  • Topkuilen en een goede kwaliteit weidegras, focus op VEM en eiwitkwaliteit;
  • Stabiele pensfunctie, rustige vertering met balans in penseiwit en pensenergie;
  • Voldoende VEM in de vorm van glucogene energie;
  • Per diergroep balans in eiwit, mineralen en vitamines;
  • Omdenken: de nieuwe lactatie begint al in de oudmelkte fase.

Goed ruwvoer en een gerichte aanvulling van eiwit via krachtvoer borgt een goede en persistente melkproductie. Dat zorgt er ook voor dat de koe niet te vet wordt, waardoor je de volgende lactatie makkelijker ingaat.

Methaan reduceren

In het webinar lag de focus op het verlagen van het ruw eiwitgehalte. De eerste stap in laag eiwit voeren gaat via verbeteren van de totale stikstofefficiëntie op het bedrijf.
Deze stap gaat hand in hand met verlagen methaan. Dit kan tot 10% oplopen.

Stappen naar een lager eiwitgehalte in het rantsoen

Ga niet in een keer naar 150 g ruw eiwit, maar denk in stappen van ongeveer 10 g ruw eiwit per kg droge stof vermindering. De OEB moet naar 0; dat geeft voldoende veiligheidsmarge. De DVE moet 100% de behoefte van de koe dekken. Die behoefte wordt berekend op basis van lichaamsgewicht, melkproductie en melkeiwitgehalte. Ondersteun de melkproductie met energierijke voeders in de vorm van glucogene energie. Evalueer elke stap op samenstelling van het rantsoen, het productieniveau en diergezondheid. De koe kan het aan om naar die 150 g ruw eiwit te bewegen; ze is flexibel met eiwit. De melkproductie daalt niet zo hard als verwacht en is te compenseren met energie.

Begrippenlijst

  • OEB = Onbestendige Eiwit Balans en geeft aan hoeveel eiwit en energie er in de pens beschikbaar komt en of deze twee in balans zijn. Op rantsoenniveau is OEB een heel belangrijk kenmerk. Veel factoren hebben invloed op het OEB gehalte in gras: zonlicht, temperatuur, bemestingsniveaus, maaihoogte en droge stof gehalte.
  • DVE = Darm Verteerbaar Eiwit is de maat voor de hoeveelheid eiwit die beschikbaar en verteerbaar is in de dunne darm. De koe maakt van DVE uiteindelijk melk en melkeiwit.
  • Glucogene energie = het bestanddeel in het voer dat de koe omzet naar glucose en vervolgens gebruikt voor lactoseproductie. Als het rantsoen voldoende glucogene energie bevat, blijft de conditie van de koeien en de melkproductie op peil.

    (bron: Eurofins Agro)

Webinar gemist of terugkijken?

Hieronder vind je de terugkijklink van het webinar en de presentaties van Harmen van Laar en Gerrit Hegen.

Over Netwerk Praktijkbedrijven

Netwerk Praktijkbedrijven is een initiatief van LTO Noord en Wageningen University & Research. De financiering is afkomstig van het ministerie van LNV, uitvoering en gezamenlijk projectleiderschap is belegd bij LTO Noord en Wageningen University & Research. Het project maakt deel uit van de programmatische aanpak 'Integraal Aanpakken' als onderdeel van het LNV-Klimaatbeleid.

Gestelde vragen tijdens het webinar:

Wat zijn goede zetmeelbronnen in het rantsoen?

In principe zijn alle zetmeelbronnen geschikt, maar er is een bovengrens in het gebruik ervan. Als er teveel fermenteerbaar zetmeel in het voedermiddel aanwezig is, wordt de fermentatie in de pens te hoog. Als er teveel bestendig zetmeel in het voedermiddel zit, wordt de fermentatie in de dikke darm te hoog.

Zetmeelbronnen als gemalen tarwe en gerst zijn snel fermenteerbaar. Geplette vormen van deze granen en ook soda grain zijn minder snel fermenteerbaar. Een goede zetmeelbron met relatief meer bestendig zetmeel, waardoor er minder kans op overmatige fermentatie in de pens is, is gemalen korrelmais. Maïssilage kan ook goed passen, afhankelijk van de mogelijkheid deze op het bedrijf te verbouwen.

De CVB-veevoedertabel geeft voor veel producten de hoeveelheid bestendig zetmeel aan. Het is aan te raden de hoeveelheid van zetmeelrijke producten vast te stellen op basis van een rantsoenberekening, waarbij met maximum normen voor fermenteerbare koolhydraten en bestendig zetmeel gerekend wordt.

Wat is jaarrond het optimale melkureumgetal om op 150 g ruw eiwit uit te komen?

Het melkureumgetal is een veelgebruikte graadmeter voor de stikstofbenutting door melkvee. De lever zet een groot deel van de OEB, (Onbestendig Eiwit Balans), en in mindere mate een deel van het DVE (darmverteerbaar eiwit) om in ureum. Dit ureum wordt afgegeven aan het bloed, getransporteerd naar de nieren en grotendeels uitgescheiden via de urine.

Tussen onderzoekers bestaat een verschil van inzicht over de betrouwbaarheid van de OEB op de voorspelling van de stikstof (N) uitscheiding. Verschillende factoren beïnvloeden het absolute melkureum, zoals het mineralengehalte van het voer. Bij veel natrium (Na) en kalium (K) gaat de koe meer drinken en urineren waardoor het melkureum kunstmatig verlaagd wordt. Daarom geven onderzoekers geen harde norm voor het ideale ureumgetal. Meestal kun je er wel van uitgaan dat naarmate binnen een bedrijf het ureum lager is de stikstofbenutting beter is.

Het advies is om naar een OEB van 0 en een DVE-dekking van 100 te gaan en daarbij ook te kijken naar het ureumgetal, het eiwitgehalte in het rantsoen, de ruw eiwit/VEM-verhouding en de melkproductie en -samenstelling. Op basis daarvan kan het rantsoen gestuurd worden naar een lager eiwitgehalte.

Voor de gemiddelde situatie is een melkureum richting 15-16 met ongeveer 150 g ruw eiwit (totaal) per kg droge stof in het rantsoen en OEB naar 0 een mooi doel. Echter, zoals aangegeven is er veel spreiding tussen bedrijven. Dus betrek altijd de melkproductie, het melkeiwitgehalte en de gezondheid van de koeien in de beoordeling van het melkureumgetal.

Begrippenlijst:

VEM, DVE en OEB in het kort uitgelegd: De energiebehoefte en het energie-aanbod uit de voedermiddelen wordt uitgedrukt in respectievelijk VEM (Voedereenheid melk) per dier per dag en VEM per kg product of per kg drogestof. De eiwitbehoefte en het eiwitaanbod worden weergegeven met g DVE (Darmverteerbaar eiwit). Om in het rantsoen na te gaan of er voldoende onbestendig eiwit en energie in de pens beschikbaar is voor de microben, wordt de OEB (Onbestendig Eiwit Balans) berekend.

OEB (Onbestendige Eiwit Balans) geeft aan hoeveel eiwit en energie er in de pens beschikbaar komt en of deze twee in balans zijn. Op rantsoenniveau is OEB een heel belangrijk kenmerk. Veel factoren hebben invloed op het OEB gehalte in gras: zonlicht, temperatuur, bemestingsniveaus, maaihoogte en droge stof gehalte.

DVE (Darm Verteerbaar Eiwit) is de maat voor de hoeveelheid eiwit die beschikbaar en verteerbaar is in de dunne darm. De koe maakt van DVE uiteindelijk melk en melkeiwit

Ruweiwit totaal (RE totaal) geeft de totale hoeveelheid N, omgerekend naar eiwit weer, inclusief ammoniak. Tijdens het conserveringsproces treden fermentatieprocessen op waarbij ammoniak (NH3) ontstaat. Dit NH3 maakt ook deel uit van de fractie ruweiwit totaal. Het ruweiwit totaal gecorrigeerd voor het ammoniakgehalte is het ruw eiwit gehalte. Dat is het eiwit dat direct beschikbaar is in het rantsoen.

(bron: Eurofins Agro en Handboek Melkveehouderij, H6 Veevoeding)

Het doel is 150 g ruw eiwit. Is de grootste winst dan te behalen in de groep melkveebedrijven die hoog in het ruw-eiwitgehalte (bijv. 170 g) zit?

Binnen Netwerk Praktijkbedrijven zijn de KringloopWijzergegevens van de 40 onderzoeks- en demonstratiebedrijven in kaart gebracht. In 2020 zat één van deze bedrijven op een ruw eiwit lager dan 150 g/kg drogestof en 9 bedrijven waren hoger dan 170. In 2021 waren er 7 bedrijven die onder de 150 g/kg drogestof zaten en ook 7 die op 170 of hoger zaten. Gemiddeld is het ruw-eiwitgehalte van deze 40 bedrijven gedaald van 164 g/kg drogestof naar 159.

Het is inderdaad zo dat voor bedrijven die hoger in ruw eiwit zitten meer winst te behalen is dan voor bedrijven die lager zitten. In het project Netwerk Praktijkbedrijven werken we toe naar 30% ammoniakemissie reductie. Op landelijk niveau zal dat in de toekomst zelfs meer zijn. Met de vuistregel dat 1 g ruw eiwit lager 1% minder ammoniakemissie oplevert, moeten we alle zeilen bij zetten. Een gemiddelde reductie van bijv. 165 naar 150 brengt dan “maar” 15% reductie. We zullen dus alle bedrijven nodig hebben om het doel te behalen.

Kijk ook kritisch naar het ruw-eiwitgehalte van alle diergroepen op het bedrijf. In de praktijk worden de pinken nogal eens vergeten. Dan gaan de ‘overschot partijen’ naar deze diergroep.

Is er een verband tussen het hogere ruw eiwitgehalte in de laatste jaren en de eis van 80% grasland voor derogatie?

Het hogere ruw-eiwitgehalte in het rantsoen de laatste jaren heeft waarschijnlijk een combinatie van oorzaken:

  • Het ruw-eiwitgehalte van grassilage en vers gras zelf is gestegen.
  • Het aandeel krachtvoer in het totale rantsoen is sinds 2012 licht gestegen (CBS). Krachtvoer heeft een gemiddeld wat hoger ruw eiwit dan ruwvoeders.
  • In 2014 is de derogatie van 70 naar 80% grasland gegaan. Het is waarschijnlijk dat daardoor ook wat meer gras is gebruikt in het rantsoen.

In droge jaren (2018-2020) lijkt het ruw-eiwitgehalte van vers gras en grassilage wat hoger te liggen dan daarvoor. Overigens was 2021 een jaar met een heel laag ruw-eiwitgehalte in het gras.

Zorgt het voeren van meer structuur voor een verlaging van het ruw eiwitgehalte in het rantsoen?

Meer structuur in het rantsoen heeft allereerst als doel de pensgezondheid te waarborgen of het volume aan voeropname in de droogstand te reguleren. Dit is dus de basisvoorwaarde voor een goede voeding. Verder kan meer structuur het gemiddelde eiwitgehalte van het rantsoen verlagen, maar ook de voeropname drukken. Dit vormt waarschijnlijk een risico op daling van de melkproductie. Voor het verlagen van het ruw-eiwitgehalte en dus het verlagen van de ammoniakemissie is meer structuur in het rantsoen gunstig. Echter, met meer structuur wordt ook meer methaan gevormd, waardoor er in dit geval een strijdig belang is tussen het verlagen van het ruw-eiwitgehalte en methaan. Conclusie, voer structuur als basis om een maximale diergezondheid te waarborgen, maar gebruik het niet om specifiek ruw eiwit te verlagen. Dat zorgt voor meer methaanuitstoot.

Wat zijn de nadelen van het uitwisselen van energie en eiwit in het rantsoen?

Er zijn verschillende nadelen van het uitwisselen van energie en eiwit. Allereerst is het oppassen voor een te hoge pensfermentatie, met risico op pensverzuring. Veel rantsoenberekeningsprogramma’s hebben mogelijkheden om met snel of totaal fermenteerbare koolhydraten te rekenen met normen waaronder de kans op pensverzuring klein is. Verder moet je aan het einde van de lactatie opletten dat de koeien niet vervetten. Het basisrantsoen dient dus goed in verhouding te zijn met de melkproductie (norm voedering voor zowel energie en eiwit). Extra eiwit aan het eind van de lactatie kan vervetting tegengaan. Echter, dat is niet goed voor de stikstofefficiëntie. Ook hier is het zoeken naar de juiste balans.

In het webinar wordt gesproken over ruw eiwit. Wordt hier ruw eiwit of ruw eiwit totaal inclusief ammoniak bedoeld?

Als we binnen Netwerk Praktijkbedrijven spreken over ruw eiwit, dan bedoelen we ruw eiwit totaal inclusief ammoniak (NH3). Dit is de totale hoeveelheid stikstof die de koe in gaat. Tijdens het conserveringsproces in ruwvoer treden fermentatieprocessen op waarbij NH3 ontstaat. Dit NH3 maakt ook deel uit van de fractie ruw eiwit totaal. Het ruw eiwit totaal gecorrigeerd voor het ammoniakgehalte is het ruw-eiwitgehalte. Dat is het eiwit dat direct beschikbaar is in het rantsoen.

NH3 is lastiger te benutten dan werkelijk eiwit. Het is dus goed als het verschil tussen RE en RE totaal klein is, dus lage NH3 gehaltes in kuilen zijn aan te raden. In drogere kuilen is het NH3 gehalte lager. Let er bij de rantsoenberekeningen op welk ruw-eiwitgehalte wordt berekend en wordt weergegeven.

Wat is het ideale VEM-gehalte om bij 150 g ruw eiwit te voeren?

Gemiddeld is 970 VEM /kg drogestof een goede richtlijn bij een ruw eiwit (totaal) van 150 g in het rantsoen. Echter, hogere VEM gehaltes, wanneer deze zonder problemen met pensverzuring en vervetting aan het eind van de lactatie gevoerd worden, zullen de melkproductie extra ondersteunen.

Waar is het lastiger om een ruw-eiwitgehalte van 150 g in het rantsoen te halen: in het veenweidegebied met 100% grasrantsoen of in maisgebieden met 25 tot 50% snijmais in het rantsoen?

Het veenweidegebied geeft inderdaad een andere rantsoenuitdaging dan andere gebieden. Een basisrantsoen van alleen gras maakt het lastiger om op 150 g ruw eiwit in het rantsoen uit te komen. Dat betekent dat de ruwvoerstrategie in het veenweidegebied nog belangrijker is, omdat je naderhand minder kunt compenseren in het rantsoen. Er zijn wel voorbeelden van bedrijven in veenweidegebied die rond de 150 ruw eiwit g/kg drogestof rantsoen uitkomen. Dit is te bereiken met een combinatie van scherpe ruw-eiwitgehalten in het (verse) gras, bijvoeding met een hoge VEM-waarde en krachtvoer met lage ruw-eiwitgehalten. Het verhogen van het ruw-eiwitgehalte in het rantsoen is eenvoudiger uit te voeren dan het verlagen. Houd daar rekening mee met de bemesting en oogst van het gras.