×
×

Optimaliseren van het rantsoen vraagt vooruitdenken

Netwerk Praktijkbedrijven werkt aan het verlagen van de ammoniak- en methaanemissie op bedrijfsniveau. De eerste knop om aan te draaien is het voer- en diermanagement, met een hoofdrol voor het rantsoen. Met de ‘Kuil van de Toekomst’ proberen de deelnemers van het Netwerk te sturen op de samenstelling van het rantsoen. Er zijn veel elementen binnen het rantsoen om op te sturen, dus eenvoudig is het niet. Droger inkuilen en een bladrijk gewas oogsten zijn belangrijke aandachtspunten.

Tijdens de Netwerkdag voor de veertig onderzoeks- en demonstratiebedrijven die op 5 februari bij Dairy Campus Leeuwarden plaatsvond hebben de aanwezige deelnemers zich in een workshop verdiept in de ‘Kuil van de Toekomst’. Ruwvoer beslaat 70 procent van het rantsoen. De graskuil is daarvan het grootste component en daardoor ontzettend belangrijk binnen de reductieroute. Een planmatige aanpak voor het maken van een ideale kuil is raadzaam.

Netwerk Praktijkbedrijven noemt dit de ‘Kuil van de Toekomst’: een kuil die een gunstig effect heeft op ammoniak- en methaanemissies, bijdraagt aan een gezonde koe, een lage carbon footprint heeft en zorgt voor een goede melkproductie. Door aan het begin van het jaar na te denken aan welke voorwaarden de kuil moet voldoen en op wat voor kuil je wilt uitkomen, kun je door middel van bemesting, in- en uitkuilen (oogsten), graslandmanagement en weidegang hier rekening mee houden en op sturen. Vooruitdenken en vooraf je uitgangspunten bepalen zijn nodig om tot het gewenste resultaat te komen.

Managen van de kuil
Tijdens het eerste deel van de workshop gaf bedrijfsbegeleider Delian Kool uitleg over de benodigde stappen en daarna gingen de groepen zelf dieper in op het managen van een goede kuil. Een kernbegrip in de workshop is het woord ‘optimum’. Niet het hoogste of laagste gehalte wordt nagestreefd, maar optimale verhoudingen tussen het effect op emissies, gezonde dieren en goede melkproductie (zie ook het kader ‘wat is het optimale NDF-gehalte’ onderaan deze pagina).

“Je bent het optimum voorbij als je sturing op emissiereductie ten koste gaat van de gezondheid van de koe en de voerefficiëntie”, vertelt Kool. Hij licht dit toe aan de hand van het bepalen van het drogestofgehalte (DS%), celvorming (NDF) en de onbestemde eiwitbalans (OEB). Bij de planmatige aanpak van de kuil richten de deelnemers zich zowel op ammoniak- als methaanemissie. Kool: “Daar komen soms dilemma’s bij naar voren.”

Droge stof en NDF
“Bij inkuilen is het zaak het geschikte DS% te vinden waarbij je broei in de hand houdt en ook een smakelijke kuil hebt met een goede verteerbaarheid. Goed verdichten tijdens het inkuilen is belangrijk voor een goede conservering en minder risico op broei”, legt Kool uit. Gemiddeld hebben de deelnemers een voorkeur voor circa 50% DS.

Een stap verder gaat het bepalen van het optimale NDF-gehalte. NDF staat voor ‘Neutral Detergent Fibre’ en geeft het totale gewicht aan celwanden aan. De celwanden ontstaan als het gewas houtiger en structuurrijker wordt. Voldoende NDF is nodig voor een gezonde en optimale penswerking, maar hoe hoger het gehalte hoe meer methaan de koe uitstoot. Wat hierin optimaal is hangt ook af van het %DS. Als het lukt om te sturen op NDF dan kan je de methaanemissie beïnvloeden.

Bij een nattere kuil van 40% DS ligt het gewenste NDF-gehalte doorgaans hoger om aan voldoende structuur in het rantsoen te komen. Bij een drogere kuil mag het lager zijn. Gemiddeld ligt het optimum voor het NDF tussen 400 en 500 (in gram per kilo DS graskuil), afhankelijk van het DS%, zo is voor de Kuil van de Toekomst vastgesteld.

Kool: “Bij het sturen op het optimum wil je zowel methaan beheersen als een goede voerefficiëntie. Tot de 2e helft van mei (de eerste snede) gaat het vrij makkelijk. Daarna schiet het gras in de aar en treedt verhouting op. Bij de 2e en 3esnede is de NDF hoger, vooral als het droog is.” Het NDF is lastiger te managen in de zomer, wanneer vocht en temperatuur meer invloed krijgen op de groei. Meer groeidagen leiden ook tot een hoger NDF.

De verhouding tussen het aandeel gras en mais of alleen gras in de kuil spelen ook een grote rol in het bepalen van het optimum. Mais geeft over het algemeen wat meer rust in het rantsoen, voor de deelnemers is mais daarom een middel om mee te kunnen sturen. Daarnaast is het gunstig voor het verlagen van de methaanemissie.

Onbestendig eiwit
Boeren sturen onder meer op de hoeveelheid Ruw Eiwit (RE) in het voer, maar de Onbestendige Eiwit Balans (OEB) doet er ook toe wanneer je de ammoniakemissie wilt beperken. “We willen toe naar een OEB van richting 0 g per kg DS in het rantsoen, zodat de eiwitbenutting optimaal is en het totale RE omlaag kan”, vertelt Kool. Gemiddeld genomen wordt de OEB lager naarmate de kuil droger wordt, en het aandeel DVE (Darm Verteerbaar Eiwit) hoger.

Aan een kuil met een hoog % DS zitten ook risico’s, zoals eerder broei met verlies aan voedingswaarde en smakelijkheid. De kunst is om minder nat in te kuilen, maar dat vraagt goed management tijdens de bewaring en het gebruik. Zoals goed afdekken, recht afsnijden en los voer voor de kuil voorkomen.

Oefenen met de OEB bepaling
Binnen Netwerk Praktijkbedrijven leren de deelnemers scherper te sturen op de OEB. Tijdens het tweede deel van de workshop oefenden de boeren in verschillende groepen met het bepalen van de optimale OEB per kilo DS. Daarbij blijkt hoezeer de verhouding tussen gras en mais een rol speelt.

Het uitgangspunt was een dagrantsoen van 12 kg DS gras en 3 kg DS mais, met een gewenste OEB van maximaal 250 g (op het totale dagrantsoen van 15 kg). Met een gegeven NDF van –45 g per kg voor de mais, wisten de deelnemers de maximale NDF voor het grasbestanddeel te bepalen namelijk 32 g/kg.

Volgens bedrijfsbegeleider Niek Konijn werd het duidelijk dat je via het maisdeel in het rantsoen wat kunt sturen. “De algemene boodschap luidt: als je met voeren bepaalde streefwaardes wilt halen, dan moet je ook werken aan een kuil die daarbij in de buurt komt.” In de praktijk sleutelen aan de NDF is niet zo eenvoudig. Niet alleen het weer is van invloed, vooral vanaf de tweede snede, maar ook de botanische samenstelling van het gras. “Hoe maakbaar deze parameter werkelijk is, dat gaan we dit seizoen proberen uit te vinden.”

Wat is het optimale NDF-gehalte van de graskuil per DS%?

NDF geeft aan hoeveel gewicht aan celwanden in het ruwvoer zit. De globale regel is: hoe minder NDF, hoe minder methaanproductie. Maar te laag is weer niet goed voor de penswerking en voerefficiëntie. Voor elke kuil geldt daarom een bepaald optimum. Om die als melkveehouder te bepalen kijk je naar de volgende maatstaven die in de grafiek zijn uitgebeeld:

  • Wat optimaal is hangt af van het drogestofgehalte (% DS). Voor een lager NDF-gehalte moet de kuil droger zijn. De grafiek geeft het optimum (inclusief bandbreedte) voor 40% DS, 50% DS en 60 % DS.
  • Een aandeel snijmais in het rantsoen heeft invloed op de NDF. De NDF-waarde van mais is een stuk lager dan dat van gras. De grafiek geeft op de Y-as aan wat samenstelling is van het rantsoen, met een variatie van 0% tot 70% mais.
  • Het aantal groeidagen van het gras is zowel van invloed op de grasopbrengst als de NDF. Voor de meest gunstige CO2 Footprint zoek je een optimum tussen die twee factoren.

Lees verder